Anna Barbara Pennaerts

Gepubliceerd op 21 februari 2026 om 22:12

Anna Barbara (of Anne Berbe) Pennaerts (Marienberg, 29 maart 1717 - Merkstein, 21 augustus 1743) was naaister in Hofstadt. Ze was de dochter van Joannes Pennaerts en Gertrudis Dörrenberg; samen met haar vader werd zij in januari 1743 gearresteerd - in haar geval voor de tweede keer, nadat zij in 1741 al was gebrandmerkt, gegeseld en verbannen wegens "aansporing en heling". Op 21 augustus 1743 stierf zij uiteindelijk aan de galg. 

De eerste "Bokkenrijdersfamilie"

Het is niet ongekend dat er hele families "deel uitmaakten" van de Bokkenrijders, neem bijvoorbeeld de families Ponts of Kirchhoffs. Ook voor Anna Barbara Pennaerts was dit het geval. Joannes Pennaerts, haar vader, is als leider vervolgd en ook haar man, Joannes Douven, eindigde net als diens broer Peter Douven (uit Hofstadt) in 1741 aan de galg. Hun neef Peter Douven (uit Chèvremont) wachtte hetzelfde lot in 1743. Haar broer, Nicolaes Pennaerts, wordt ook in de processen benoemd, maar lijkt niet vervolgd te zijn.

Hoewel er een heel aantal "Bokkenrijdersfamilies" zouden volgen, waren de families Pennaerts en Douven de eerste families die we in de processen tegenkomen, met Anna Barbara als schakel; zij, dochter van één van de leiders, zou haar man hebben aangezet uit stelen te gaan.

De processen Douven-Pennaerts waren het begin zijn van wat uiteindelijk als de Bokkenrijdersprocessen te boeken zou gaan.

Het eerste proces

Zowel in januari als in maart 1741 werd ingebroken bij Joes Frens, landbouwer te Bardenberg, waarbij een grote hoeveelheid boter, vlees, kleren en huisraad buit werd gemaakt. Aangezien één van de gebroeders Douven een hele tijd bij Frens werkzaam was geweest, werden zij al snel verdacht van de overval. Op 9 juli datzelfde jaar volgde een huiszoeking in huize Douven-Pennaerts - Anna Muyckers, de vrouw van Joes Frens, en hun dochter, Magdalene, herkenden hier een hoop van hun gestolen eigendommen.

Anna Barbara Pennaerts en Joannes Douven zouden tijdens deze huiszoeking gestolen waar onder hun kleren hebben verstopt. Een aanwezige gerechtsdienaar heeft dit gezien en dezelfde nacht nog werd het duo, samen met broer Peter Douven, gearresteerd.

"In deze nacht werden drie dieven, inwoners van Merkstein, gearresteerd, en wel twee mannen en één vrouw."

Dagboek van Henricus Thimister, priester in Afden, op 9 juli 1741.

 

Pennaerts zelf werd verdacht van heling van door haar man gestolen waren. Op 14 en 19 juli werd ze verhoord en geconfronteerd met de spullen die bij hen thuis gevonden waren en op 5 augustus volgde het vonnis dat op 8 augustus 1741 werd uitgevoerd: na brandmerking en geseling; twaalf roeden met elk drie slagen. De kosten van het proces werden gedragen door de abt van Kloosterrade:

"De vrouw van [Joannes Douven] werd gegeseld, gebrandmerkt en uit 't gebied van Merkstein gewezen. Men beval haar voor altijd in ballingschap te blijven, en dreigde haar eveneens te zullen ophangen, indien zij ooit naar genoemd gebied zou terugkeren. [...] Het heele proces werd op kosten der abdij gevoerd en beëindigd, daar de delinquenten armelui waren en geen roerend noch onroerend goed bezaten. Onze abt moest als landsheer van Merkstein volgens de wetten en gebruiken van 't land de kosten dragen. "

Dagboek van Kloosterrade, 8 augustus 1741

Het tweede proces

Hoewel het eerste proces eindigt bij de gebroeders Douven, zou de echte "Bokkenrijdersgolf" pas een ruim jaar later beginnen, als zwager Peter Douven uit Chèvremont wordt gearresteerd en Anna Barbara Pennaerts als complice genoemd wordt bij andere overvallen dan waarvoor ze oorspronkelijk is veroordeeld. Op 12 februari 1743 werd zij, samen met haar vader, gearresteerd. 

Pennaerts was aanvankelijk gedetineerd in Geilenkirchen, maar werd op verzoek uitgeleverd aan Merkstein. Vanaf eind februari 1743 zat zij gevangen in Herzogenrath. Op 2 maart en 5 april werd ze verhoord. Op 10 april volgde een confrontatie met Nicolaes Peters, Michiel Windgens en Peter Douven en op 21 mei een scherp examen. De recollectie vond plaats op 29 mei. Op 18 juni werd ze geconfronteerd met Joannes Moulen en op 20 juni legde ze nog een nadere verklaring af waarin zij Caspar Konings, Gabriel Brull en Rener Woelgens nog als haar complicen benoemde.

Hoewel ze tijdens haar eerste proces nog enigszins de dans had kunnen ontspringen, overleeft ook zij de procesvoering tegen de Bokkenrijders niet: ze wordt ter dood veroordeeld. Op 21 augustus 1743 stierf ze aan dezelfde galg waar twee jaar daarvoor ook haar man en schoonbroer hun einde hadden gevonden. 

"Zij werd aan dezelfde galg opgehangen bij 't stoffelijk overschot van haar man."

Dagboek van Henricus Thimister, priester in Afden, op 21 augustus 1743.

 

Bronnen:

  • Van Eekelen, J. (z.d.). Bokkenrijders en afstammelingen. https://johnve.home.xs4all.nl/AFS_4/A411.html#411
  • Van Gehuchten, F. (2013). Bokkenrijders, De schande van Limburg I. Leon van Dorp Uitgeverij. p. 111-112
  • Gierlichs, W. (1972). De geschiedenis der bokkerijders in ’t voormalig land van ’s-hertogenrode. Schrijen B.V., p. 30-31, 157, 161
  • Blok, A. (1991). 'De Bokkerijders Roversbenden en Geheime Genootschappen in de Landen van Overmaas [1730-1774]' p. 236

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.